Onbetaalde arbeid

De 30-urenwerkweek voor betere informele zorg

Intro: 

De jongste jaren sloop een nieuw concept het welzijnsbeleid in: ‘vermaatschappelijking van de zorg’. Zorg die midden in de samenleving staat. Vermaatschappelijking betekent  een ‘verschuiving binnen de zorg waarbij ernaar gestreefd wordt om mensen met beperkingen, chronisch zieken, kwetsbare ouderen, jongeren met gedrags- en emotionele problemen, mensen die in armoede leven… met al hun mogelijkheden en kwetsbaarheden een zinvolle plek in de samenleving te laten innemen, hen daarbij te ondersteunen en de zorg zoveel mogelijk geïntegreerd in de samenleving te laten verlopen. Begrippen die hierbij spelen zijn onder meer desinstitutionalisering, community care, empowerment, kracht- en contextgericht werken, vraagsturing en respijtzorg’.

Paragrafen: 

Een vijfsferenmodel vertaalt dit concept concreet. Het vertrekt van:

  • de persoon zelf (1);
  • het gezin (2);
  • de informele contacten met familie, collega’s, buren, kennissen en vrijwilligers (3);
  • algemene zorg- en dienstverlening (4);
  • gespecialiseerde zorg- en dienstverlening (5).

Het uitbouwen van de zorg binnen de eerste drie sferen wordt beschouwd als ‘vermaatschappelijking van de zorg’. De twee buitenste cirkels worden aangeboord wanneer ondersteuning vanuit het gezin of het sociale netwerk ontbreekt, de gebruikelijke zorg vanuit het sociale netwerk ontoereikend is of de zorgnoden de mogelijkheden en draagkracht van het sociale netwerk overschrijden.
Burgers moeten dus in de eerste plaats voor zichzelf zorgen en bij problemen een beroep doen op hun familie en buurt. Pas wanneer de informele zorg niet voldoet, kunnen ze professionele hulp inschakelen.

In 2018 zorgde 56% van de Vlamingen ouder dan 18 jaar voor een ziek, gehandicapt of bejaard familielid, kennis of buur. 32% doet dit intensief: meer dan één keer per maand. Intensieve zorg gebeurt vaker door vrouwen (37%) en door 60-plussers (38%). Informele zorg komt evenwel steeds meer onder druk te staan. Omdat gezinnen kleiner worden, meer vrouwen hoogopgeleid zijn en buitenshuis werken, en steeds meer ouderen gescheiden en/of apart leven. Maar ook omdat de overheid een beleid voert dat mensen meer en langer wil doen werken. ‘De hoge verwachtingen omtrent de vermaatschappelijking van de zorg moeten goed afgestemd worden op belangrijke sociologische ontwikkelingen’, schrijven de onderzoekers van ‘Duurzame mantelzorg in Vlaanderen’. Ze wijzen op het spanningsveld tussen de zorgvraag, die zwaarder en langdurig wordt, en de bereidheid en de mogelijkheid om langdurige informele zorg te verlenen.

De mantelzorger en betaald werk

In een krachtig mantelzorgbeleid hoort een kwaliteitsvolle combinatie van mantelzorg met betaald werk een belangrijke strategie te zijn. Voor mantelzorgers is het belangrijk dat ze kunnen blijven werken. Betaald werk naast mantelzorgarbeid verlenen, is een belangrijke overlevingsstrategie.
Het gaat overbelasting tegen omdat werken buiten de deur sociaal isolement voorkomt, en het heeft een therapeutisch effect (ontlading). Daarnaast maakt het de mantelzorgers minder financieel kwetsbaar.

De meest gebruikte strategie om mantelzorg te kunnen combineren met betaald werk, is het snoeien in de eigen vrije tijd: goed 40% van de werkende mantelzorgers neemt vakantiedagen op om te zorgen. Deeltijds werken (14%) en afspraken met de werkgever (12%) staan op plaats twee en drie. Daarnaast zijn er verschillende verlofvormen (palliatief verlof, ouderschapsverlof, ziekteverlof, onbetaald verlof, tijdskrediet, verlof voor medische bijstand): elk op zich worden ze door minder dan 10% van de mantelzorgers gebruikt, samen maakt 24% van de werkende mantelzorgers gebruikt van minstens één van deze verlofvormen.

Het onderzoek ‘Duurzame mantelzorg in Vlaanderen’ (66) zoomt in op de strategie ‘het structureel aanpassen van de werktijd’.  Een strategie die verstrekkende  gevolgen heeft voor de financiële situatie van de mantelzorger en diens gezin op korte (minder inkomen) èn op lange termijn (minder pensioen). De onderzoekers gingen de strategie ‘niet of minder werken’ na bij twee groepen mantelzorgers: zij die geen betaald werk hebben en zij die wel betaald werk hebben.

Van de groep  die geen betaald werk heeft, geeft 22% aan dat dit komt omdat ze hulp willen bieden. Meer vrouwen (24%) dan mannen (17%) hanteren deze strategie.  Wanneer kinderen deel uitmaken van het huishouden geven mantelzorgers vaker aan (31%) niet over betaald werk te beschikken dan wanneer er geen kinderen zijn (18%). En naarmate mantelzorgers intensiever hulp bieden, geven ze vaker aan geen betaald werk te hebben. 

Van de groep die wel betaald werk heeft, geeft 21% aan niet of minder uren dan gewenst te werken om te kunnen mantelzorgen. Ook hier hanteren meer vrouwen (23%) dan mannen (16%) deze strategie. Het werkregime en het hebben van kinderen thuis hangen samen met het niet of minder werken van mantelzorgers. Mantelzorgers die voltijds werken geven minder vaak aan dat ze niet of minder werken om te kunnen zorgen, terwijl deeltijds werkende mantelzorgers dit het vaakst aangeven.  En naarmate de mantelzorg intensiever wordt, maken meer mantelzorgers gebruik van de mogelijkheid om niet of minder te werken. Mantelzorgers met betaald werk die ervoor opteren om niet of minder te werken omwille van mantelzorg, werken gemiddeld 12,6 uren per week minder.

Ruim de helft van de werkende mantelzorgers ervaart de combinatie als zwaar tot zeer zwaar. De onderzoekers vinden hierbij  dat het toepassen van de verschillende mogelijkheden op het werk om tijd te vinden voor mantelzorg samenhangt met het zwaarder aanvoelen van de combinatie werk en mantelzorg. Zijn die combinatiestrategieën dan niet effectief? Allicht werkt het in twee richtingen, zeggen de onderzoekers. Aannemelijk is dat werkende mantelzorgers die een grotere belasting ervaren, vaker combinatiemogelijkheden toepassen om met die belasting om te gaan. Maar het toepassen van deze strategieën kan ook bijdragen aan het gevoel dat de combinatie werk en mantelzorg zwaar uitvalt, bijvoorbeeld omdat je inkomen mindert, sociale steun wegvalt en je eigen vrijheid wordt ingeperkt.

Het overgrote deel van de mantelzorgers (87%) zorgt al meer dan drie jaar voor de hulpbehoevende, bijna drie op tien (29%) zelfs al twaalf jaar of meer. De gemiddelde zorgduur bedraagt 10,9 jaar(66). De zorgverloven dekken de zorgnood met andere woorden niet. Ook hier biedt de kortere werkweek soelaas. Ze biedt meer tijdssoevereiniteit, komt beter tegemoet aan de mantelzorgduur en vrijwaart je inkomen.

Vermaatschappelijking van de zorg en betaald werk

Vanuit het perspectief ‘vermaatschappelijking van de zorg’ valt er eveneens wat te zeggen voor een kortere werkweek. De Nederlandse socioloog Rudi Wielers wijst erop dat er veel reden is om aan te nemen dat mensen bij een geringere arbeidsbelasting meer voor elkaar zullen zorgen. ‘Het welzijnsverhogend effect van de combinatie van betaald werk en zorg is een belangrijke reden dat nu reeds veel mensen voor die combinatie kiezen. Het verklaart waarom veel moeders en ook vaders, oma's en opa's een kortere werkweek hebben. Het is waarschijnlijk dat meer mensen bereid zijn om informele zorg te verlenen mits de voorwaarden om goede zorg te verlenen aanwezig zijn. Econometrische modellen van het Sociaal en Cultureel Planbureau laten een sterke stijging van mantelzorg zien bij een scenario waarin mannen en vrouwen in grote deeltijdbanen werken. Vooral de bijdrage van mannen zou daardoor toenemen.’

Wielers vindt het belangrijk dat de combinatie van zorg en betaald werk via een kortere werkweek wordt gewaardeerd.  Het is de voorwaarde om de informele zorg te vergemakkelijken. ‘Als de waarde van de combinatie is erkend, kan worden gewerkt aan condities die informele zorgverlening in families en buurten vergemakkelijken. Buurten en wijken zouden zo moeten worden ingericht dat verschillende generaties naast elkaar kunnen wonen, zodat zorgverlening tussen de generaties kan plaatsvinden, zowel van grootouders (voor hun kleinkinderen) als van kinderen (voor hun ouders). Informele zorg zou niet beperkt hoeven en moeten blijven tot familierelaties, maar ook uitgangspunt kunnen zijn voor de vergroting van de leefbaarheid van buurten. Faciliteiten op buurtniveau, waarin ouders, grootouders en kinderen als vrijwilligers participeren, zullen bij een kortere arbeidsduur een groter sociaal draagvlak kunnen krijgen.’

Call to action: 

Schaar je achter ons onderzoek en doe een gift

Met jouw bijdrage steun jij belangrijk onderzoek over de effecten van minder werken op mensen en hun naasten. De resultaten van het onderzoek gaan we begin 2020 delen met politici en het grote publiek.

De 30-urenwerkweek voor meer engagement

Intro: 

Maar professionele arbeid alleen biedt geen garantie op geluk. Ons welzijn hangt van veel factoren af. Eén daarvan is de kwaliteit van onze sociale contacten. Een 30-urige werkweek geeft mensen meer tijd om kwaliteitsvolle relaties met familie, de kinderen, vrienden en buren te onderhouden. Bovendien geeft het mensen ook meer kans om actieve burgers te zijn, om lokaal een rol op te nemen in organisaties, om deel te nemen aan lokale activiteiten, om aan vrijwilligerswerk te doen. Zo versterken we ons sociaal kapitaal en het gemeenschapsgevoel.

Paragrafen: 

Plato schreef ooit: een democratisch staatsman zorgt voor voldoende rust, zodat het volk zich kan blijven ontwikkelen. De tiran gunt geen rust, omdat het volk zo manipuleerbaar blijft . In haar boek ‘Stil de tijd’ houdt filosofe Joke Hermsen een pleidooi voor rust en ontspanning. ‘Pas in rusttoestand kunnen we tot bezinning en reflectie komen. Pas als we niets doen, opent zich de ruimte van het denken en de creativiteit, verschijnselen die zich door geen vooropgesteld doel of economisch nut laten sturen of opjagen.’

Een democratie heeft nood aan rust. ‘Sinds Plato en Aristoteles geldt als belangrijkste taak van een democratisch staatsman die rust te bevorderen. Daartegenover staat de tiran die zijn macht wil vergroten door het volk continu bezig, dat wil zeggen werkend en niet nadenkend, te houden. Je zou je kunnen afvragen of onze samenleving, waarin hard werken welhaast zaligmakend wordt verklaard en waarin de meeste beslissingen om economische redenen genomen worden, vanuit die optiek nog ‘democratisch’ genoemd kan worden’, schrijft Hermsen, die voorstander is van een 25-urige werkweek.

Minder betaald werken geeft mensen kans om na te denken, om actief burger te zijn.  Een democratie mag het immers niet alleen hebben van politieke partijen en beroepspolitici.
Het vrijwilligerswerk biedt een forum voor zo’n participatief burgerschap.  Vrijwilligerswerk maakt deel uit van het ‘maatschappelijk middenveld’ en vervult zo een rol tussen het individu en de overheid. Het  kanaliseert democratische processen en oefent invloed uit.
Vrijwilligerswerk versterkt de samenleving maar versterkt ook onszelf. ‘Actief zijn in een vereniging versterkt mensen’, stelt tijdsbestedingsonderzoeker Ignace Glorieux onomwonden. ‘Het geeft een veilig gevoel. Ook uit studies over de overgang naar pensionering blijkt dat engagement mensen gelukkig maakt. Iets doen waardoor je iets betekent voor anderen, iets wat niet vrijblijvend is, of het nu gaat om de wekelijkse opvang van kleinkinderen of vrijwilligerswerk in een vereniging.(62)’

Vrijwilligerswerk vraagt tijd en engagement. In het sociaal-cultureel verenigingsleven nam het aantal vrijwilligers in de periode 2007-2014 met een goede 40.000 af (van 225.298 naar 184.841),. Tijdsbestedingsonderzoek toont dat vol- en deeltijds werkenden de afgelopen jaren steeds minder tijd aan het verenigingsleven besteden   Het verenigingsleven vergrijst zienderogen, stelt onderzoeker Joris Piot in ‘Eat, love volunteer’. ‘Drie op de vijf bestuursvrijwilligers in Vlaanderen is tussen de 50 en de 70 jaar. En de leden ook. Het aantrekken van jongeren verloopt moeizaam’. ‘Vrijwilligers aantrekken, motiveren en behouden is voor vele organisaties een kopzorg’, staat ook  in Boekstaven 2015. 

De oorzaken? Toenemende verstedelijking, een groot vrijetijdsaanbod en het verzwakken van het traditionele sociale weefsel, een weifeling om zich te engageren omwille van de grote verantwoordelijkheid die men vreest… Die veranderingen hebben te maken met grotere ontwikkelingen: globalisering, individualisering, de intrede van sociale media, maar ook werkdruk en flexibilisering van de arbeid hebben hierop een impact.’(63) Ignace Glorieux verklaart de druk op het verenigingsleven als volgt: ‘Een revolutie de afgelopen vijftig jaar is de stijgende arbeidsmarktparticipatie van vrouwen. In de meeste gezinnen gaan mensen met twee uit werken. Als je thuiskomt, moeten er boodschappen gedaan worden, moet er worden gekookt, huiswerk begeleid. Dan ben je blij als je een uurtje of twee op de bank kunt ploffen voor er alweer een nieuwe dag lonkt. Dat is het probleem van het verenigingsleven. Als mensen toch iets willen doen ’s avonds, dan moet het flexibel zijn. Een vereniging heeft vaste bijeenkomsten en vraagt een zeker engagement. Ik denk niet dat mensen minder behoeften hebben aan sociale contacten, maar we hebben er minder de tijd voor. En het is minder evident geworden’.

 

Call to action: 

Schaar je achter ons onderzoek en doe een gift

Met jouw bijdrage steun jij belangrijk onderzoek over de effecten van minder werken op mensen en hun naasten. De resultaten van het onderzoek gaan we begin 2020 delen met politici en het grote publiek.

De 30-urenweek voor gendergelijkheid

Intro: 

Met de 30-urige werkweek als nieuwe norm voor het voltijds werken geven we vrouwen en mannen de kans om betaald en onbetaald werk meer gelijk te verdelen. Laat het duidelijk zijn dat dit past binnen een groter verhaal en dat alleen het verminderen van de arbeidsduur geen garantie is op een meer gelijke verdeling van arbeid en zorg tussen partners.

Paragrafen: 

Met de 30-urige werkweek als norm voor voltijds:

  • geven we mannen de kans om meer huishoudelijke en zorgtaken op te nemen. Door normen en opvattingen te veranderen, zijn zij minder geremd om die taken op te nemen;
  • geven we vrouwen de kans om meer uren te werken indien gewenst. Doordat mannen een deel van de zorg- en huishoudelijke taken op zich nemen, kunnen vrouwen die parttime of niet werken, hun werkuren uitbreiden;
  • bieden we vrouwen meer promotiekansen op de arbeidsmarkt aan. Wie vandaag voltijds werkt, heeft meer kans op promotie dan wie deeltijds werkt, omdat dit laatste vaak als minder betrokken, minder gemotiveerd wordt gezien;
  • verkleinen we de loonkloof en de pensioenkloof tussen mannen en vrouwen. Een deel van die kloof is te wijten aan het feit dat vrouwen nu minder uren werken dan mannen en ook minder carrière maken.
Call to action: 

Schaar je achter ons onderzoek en doe een gift

Met jouw bijdrage steun jij belangrijk onderzoek over de effecten van minder werken op mensen en hun naasten. De resultaten van het onderzoek gaan we begin 2020 delen met politici en het grote publiek.

Maak onbetaalde arbeid zichtbaar

Intro: 

Vandaag wordt het debat over de toekomst van de maatschappij nog steeds vernauwd tot een debat over de te volgen weg naar economische groei, naar meer materiële welvaart. Het in stand houden en vergroten van onze welvaart is het ultieme doel. Het gangbare economische discours boette, ondanks de crisis, niets aan dominantie in. Alles wordt uitgedrukt in winst, verlies, kosten en efficiëntie.  Zelfs (cijfers rond) zelfdodingen ‘kosten’ miljoenen aan de economie.

Paragrafen: 

Discours & terminologie - Herdefiniëren van welvaart en maatschappelijke vooruitgang

De dominante focus op economische groei zorgt ervoor dat we heel wat negatieve effecten van ons economisch systeem niet mee in rekening brengen. Denk bijvoorbeeld maar aan de negatieve effecten voor het klimaat en het milieu, maar ook voor het welzijn van mensen.

Dat is ook de kern van het betoog van Kate Raworth. Met haar model van de Donuteconomie(43), bouwt ze verder op een traditie van economische denkers die het welzijn van mensen centraler zetten in het economische denken/die vinden dat de economie een bredere doelstelling moet nastreven dan economische groei.(44)

‘Vandaag de dag hebben we  economieën die moeten groeien: ongeacht of we erbij gedijen of niet’, stelt Raworth. ‘Wat we nodig hebben zijn economieën die ervoor zorgen dat wij gedijen ongeacht of die groeien of niet.’ Raworth vraagt dat we agnost worden als het gaat om economische groei.(45)

De bredere doelstelling die Raworth voorstelt, is het voorzien van een wereld waarin ieder individu een waardig leven kan leiden, vol mogelijkhedenen als onderdeel van een gemeenschap – en waar we dat allemaal kunnen doen binnen de mogelijkheden van onze levenwekkende planeet. Tussen het sociale fundament van menselijk welzijn en het ecologische plafond van planetaire grenzen bevindt zich de veilige en rechtvaardige ruimte voor de mensheid. De term Donuteconomie is gebaseerd op de visuele voorstelling van dit idee.

Bron: ftm.nl

Raworth formuleert een hele reeks van basisbehoeften(46) waar alle mensen toegang tot moeten hebben: van voldoende voedsel, tot toegang tot gezondheidszorg, behoorlijk werk, toegang tot sociale ondersteuning. Bij het verwezenlijken van deze zaken moet voldaan worden aan eisen zoals gendergelijkheid, gelijke sociale kansen, politieke inspraak, vrede en gerechtigheid. Dit vormt voor haar het sociale fundament van haar model. Daarnaast zijn er negen planetaire grenzen die het ecologische plafond aangeven.(47)

‘De uitdaging is om economieën te creëren die de hele mensheid binnen de veilige en rechtvaardige ruimte van de donut brengen.’

Aandacht voor de economy of care en onbetaalde arbeid

Een bredere doelstelling voor de economie betekent ook dat ze haar blik waarmee ze naar de wereld kijkt, verruimt. Ze moet haar mensbeeld bijstellen, andere waarden centraal stellen en meer aandacht hebben voor arbeid die zich buiten de markt afspeelt.

Het uitgangspunt van de moderne economie(48) is de ‘homo economicus’(49). De homo economicus is een rationele mens die maximale behoeftebevrediging nastreeft met de middelen die hij/zij heeft. De neoklassieke economie reduceert menselijke verhoudingen tot ruilverhoudingen. En alleen de ruilverhoudingen die gebeuren via de markt of de overheid tellen mee. Mensen zijn alleen interessant op het moment dat ze op de arbeidsmarkt komen om hun arbeidskracht te verkopen of om goederen en diensten te kopen. Ze zijn consument en/of arbeidsfactor. Vrijwilligerswerk, burenhulp, kinderen opvoeden, mantelzorgen – kortom zorg dragen voor jezelf, je naasten en je omgeving – tellen economisch niet mee. Spijtig voor de vrouwen, want zij nemen naar schatting twee derde van die onbetaalde arbeid voor hun rekening. En de waarde ervan wordt geschat tussen de 50 en 100% van het BNP(50).

Nochtans zou er zonder onbetaalde arbeid, zoals zorgarbeid en huishoudelijke arbeid geen sprake zijn van betaalde arbeid. Het is dankzij zorgarbeid en huishoudelijke arbeid dat mensen dagelijks met voldoende energie naar hun werk kunnen. Het is, zoals Raworth stelt, de kerneconomie die essentieel is voor het welzijn van de mens en de productiviteit van de betaalde arbeid.

Doordat onbetaalde zorgarbeid niet voorkomt in de gangbare economische modellen geven deze modellen geen evenwichtig beeld van de maatschappij en alles wat zich daarin afspeelt, waarschuwt Thera Van Osch. ‘Veel economen zien onbetaalde arbeid nog steeds als een soort van vrijetijdsbesteding. Onbetaalde arbeid heeft geen prijs op de markt en is daarom volgens economen niet schaars. Zo gaat het met alle producten die zogenaamd 'overvloedig' zijn. Lucht bijvoorbeeld heeft geen prijs op de markt omdat het overvloedig aanwezig is. Zodra schone lucht echter schaars wordt, en je moet het gaan kopen in zuurstofflessen, krijgt lucht een prijs op de markt en draagt de handel in lucht bij aan de economische groei.
De economische modellen gaan ervan uit dat we in overvloed gebruik kunnen maken van alles dat geen prijs heeft op de markt. Totdat het schaars wordt. Dan blijkt dat we er zuinig op moeten zijn. Zo is het ook met de onbetaalde zorgarbeid. De overheid kan de bezuinigingen in de kinderopvang, de zorg en het onderwijs niet blijven afwentelen op de onbetaalde economie. Vroeg of laat wordt de tijd voor onbetaalde arbeid schaars en de werkdruk in de onbetaalde economie te groot. Dan loopt het spaak, met hoge sociale kosten als gevolg.’

Tegenover de neoklassieke economie met zijn ‘homo economicus’ staat de economy of care (of zorgeconomie) met zijn ‘homo relationis’. ‘Want met een economie die uitgaat van uit eigenbelang handelende individuen kan je geen complexe wereldproblemen zoals het klimaat of ongelijkheid aanpakken’, zegt professor Tania Singer van het vermaarde Max Planck Institute for Human Cognitive and Brain Sciences. ‘Mensen zijn ook zorgzaam en altruïstisch. We moeten onze economie hertekenen en die eigenschappen in rekening brengen. Alleen zo kunnen we onze complexe problemen oplossen. De homo economicus moet plaatsmaken voor een homo relationis.’  Samen met het Kiel Institute for the World Economy onderzoekt Singer hoe neurologische en psychologische inzichten over altruïsme in de economie en in beleidsvoering kunnen worden ingebracht.

‘We moeten zorgzaamheid als waarde verankeren in ons economisch systeem’, zegt de Nederlandse zorgeconome Thera van Osch. ‘Het verwijst niet alleen naar zorgactiviteiten maar ook naar ‘zorgvuldigheid’, ‘verantwoordelijkheid’, ‘zich bekommeren om’ of ‘om iemand of iets geven’.’  Het betekent dat niet alle zorgactiviteiten zomaar te vermarkten zijn. ‘De affectie die een ouder voelt voor zijn/haar kind is een onvervangbaar aspect van de zorg, dat  niet op de markt kan gekocht worden.’ Zodra zorg in bijvoorbeeld geld wordt uitgedrukt, kan het ook zijn intrinsieke waarde verliezen. En het is ook die intrinsieke waarde die productieverhogende investeringen in moeilijk vervangbare zorgarbeid ineffectief maakt. ‘Zieke mensen worden niet sneller beter door ze aan te sluiten op apparaten die hen nog sneller in en uit hun bed tillen, of hen nog sneller wassen, of hen efficiënt van pillen en poeders voorzien. Zij kunnen er zelfs zieker van worden’, legt van Osch uit. In de economy of care moet er tijd en plaats zijn voor onvervangbare zorg.

Voor Femma is duidelijk dat we onze enge kijk op vooruitgang, gedefinieerd als toenemende welvaart en economische groei, moeten doorbreken. Het zorgt voor oogkleppen en heeft negatieve effecten op het welzijn van de mens en de planeet. Als alternatief moeten we een maatschappelijk model uitwerken dat, naar het voorbeeld van de Donuteconomie, ieder mens toelaat een waardig leven te leiden, vol mogelijkheden, en als onderdeel van een gemeenschap – en waar we dat allemaal kunnen doen binnen de mogelijkheden van onze levenwekkende planeet .

Dit betekent concreet dat we in ons sociaal-economisch beleid ook de organisatie, verdeling en waardering van onbetaalde arbeid een prominentere plaats moeten geven. We pleiten ervoor om de rollen en functies die we opnemen buiten ‘de markt’ te erkennen als arbeid. Momenteel wordt de rol of functie die we in de maatschappij opnemen, enkel als ‘arbeid’ erkend wanneer die in een (monetaire) ‘productiviteit’ wordt omgezet. Zo wordt bijvoorbeeld het helpen van je kind bij zijn of haar huiswerk ‘s avonds niet als arbeid gezien, maar lesgeven aan een klas wel. We volgen hierbij de typologie die Flora vzw ontwikkelde en spreken over betaalde (productieve) arbeid, informele zorgarbeid (onproductieve arbeid), zelfarbeid en sociale arbeid. De laatste drie groeperen we onder de noemer ‘onbetaalde arbeid’. Alle vier de vormen van arbeid zijn van uitermate belang voor het  welzijn van de  maatschappij en haar burgers.  

 Een ander discours vraagt niet alleen om nieuwe termen, maar vraagt ook andere meetinstrumenten/indicatoren.

‘Het centrale uitgangspunt is dat kunnen zorgen en zorg genieten belangrijke aspecten van levenskwaliteit zijn, en dat zorgarbeid en betaalde arbeid allebei beroep moeten doen op hetzelfde ultieme schaarse goed, namelijk tijd. Uit tijdsbestedingsonderzoek weten we dat ongeveer de helft van onze arbeidstijd aan onbetaalde arbeid besteed wordt, waarbij we vooral moeten denken aan zorgarbeid en huishoudelijk werk (Gershuny 2000; Folbre 2008). Door de zorg die we ontvangen en de zorg die we aan anderen geven als capabilities te conceptualiseren, kan zorg eindelijk de plaats krijgen die het verdient binnen een rechtvaardigheidsanalyse.’  (51)

Een andere definiëring van vooruitgangbetekent ook dat we nood hebben aan aanvullende indicatoren om die vooruitgang te meten.

Nood aan nieuwe indicatoren

Tot nu toe gold het bruto binnenlands product als de belangrijkste maatstaf van onze ‘vooruitgang’. Het bruto binnenlands product is de totale geldwaarde van alle in een land geproduceerde finale goederen en diensten gedurende een jaar. Het bbp ontkent echter heel wat factoren die belangrijk zijn om te bepalen of het goed gaat met een samenleving. Zo houdt het bbp geen rekening met alle taken die mensen uitoefenen buiten de formele economie. In het bijzonder vrijwilligerswerk en zorgtaken die mensen opnemen, worden niet mee verrekend in het bbp. Ook negeert het de impact van economische activiteiten op het leefmilieu en zegt het niets over de duurzaamheid van de economie, over sociale ongelijkheid, sociale netwerken, kwaliteit van het onderwijs, kwaliteit van de zorg in de samenleving, politieke vrijheid… Onschuldig is dat niet, want 'wat we meten, beïnvloedt wat we doen',  waarschuwt Stiglitz (52).  Een andere definiëring van vooruitgangbetekent ook dat we nood hebben aan aanvullende indicatoren om die vooruitgang te meten.

Eén van de meest mediagenieke alternatieven voor het bbp is het BNG of het Bruto Nationaal Geluk. Het BNG kent zijn oorsprong in Bhutan, waar de regering besliste om alle beleidsmaatregelen aan het welzijn van de mensen te toetsen. Het BNG gaat over collectief geluk of welzijn, niet om individueel uiterst subjectief geluk. Het gaat om het creëren van voorwaarden opdat iedereen welzijn zou kunnen bereiken. Overheden, gemeenschappen, ondernemingen, individuen dragen allemaal verantwoordelijkheid voor dit algemeen belang. Het BNG is gebaseerd op vier pijlers en negen dimensies. De vier pijlers zijn duurzame en rechtvaardige socio-economische ontwikkeling, goed bestuur, bescherming van het milieu en behoud en promotie van de cultuur. De negen dimensies zijn psychologisch welzijn, gezondheid, educatie, cultuur, tijdsbesteding, goed bestuur, gemeenschapsvitaliteit, levensstandaard, en ecologische diversiteit en veerkracht. In totaal gaat het om een 72-tal indicatoren.

Ook in het Westen is de aandacht voor de ‘Happy Economics’, zoals het fenomeen genoemd wordt, gestegen(53). Verschillende instellingen zijn op zoek naar valabele alternatieven voor het bbp. De OESO stelde de 'Better Life Index' voor. DE BLI evalueert de materiële levensomstandigheden en de levenskwaliteit van vandaag en voor de toekomstige generaties. De BLI definieert welzijn aan de hand van elf indicatoren: inkomen en vermogen, werk en loon, huisvesting, gezondheidstoestand, milieukwaliteit, opleiding en vaardigheden, gemeenschapsleven, burgerengagement en bestuur, werk-levensbalans, persoonlijke veiligheid en subjectief welzijn.

Belangrijk om op te merken is dat deze indicatoren niet zozeer het bbp moeten vervangen, maar wel complementair kunnen zijn aan het bbp en dat een rigide focus op het bbp of slechts één indicator een te nauwe benadering is.

In België werd in maart 2014 de federale wet over aanvullende indicatoren voor het meten van levenskwaliteit, menselijke ontwikkeling, de sociale vooruitgang en de duurzaamheid van onze economie van kracht. Anno 2019 monitort het Federaal Planbureau, in uitvoering van die wet, 17 thema’s, naar analogie met de Sustainable Development Goals, en een set van 67 sociale, milieu- en economische indicatoren die het bbp  jaarlijks moeten aanvullen(54). Het Planbureau werkt de gegevens jaarlijks bij en de wet verplicht de Kamer om er jaarlijks een bespreking aan te wijden. De aanvullende indicatoren moeten ook opgenomen worden in het jaarverslag van de Nationale Bank van België over de financiële en economische ontwikkelingen in binnen- en buitenland.

Wanneer het over betaalde en onbetaalde arbeid gaat, zien we dat de meeste van de indicatoren zich toespitsen op betaalde arbeid. Het doel van die indicatoren is een  zo hoog mogelijk werkgelegenheidsniveau te krijgen dat de principes van waardig werk respecteert (55). ‘Vrije tijd’ krijgt één indicator (56), zijnde het Belgische tijdsbudgetonderzoek, uitgevoerd door de onderzoeksgroep TOR van professor Ignace Glorieux van de VUB. Aan deze indicator hangt geen doelstelling vast.  Vrije tijd valt onder het thema ‘gezondheid en welzijn’.

Onder de noemer gendergelijkheid vinden we onder andere de indicator ‘huishoudelijk werk’ en de ‘loonkloof tussen vrouwen en mannen’. De indicator ‘huishoudelijk werk’ wordt gemeten door het aantal uren dat men gemiddeld spendeert aan huishoudelijk werk per dag. Bij de loonkloof meet men het verschil in gemiddeld uurloon tussen mannen en vrouwen. Voor de indicator huishoudelijk werk is er opnieuw geen duurzame doelstelling geformuleerd. Terwijl men voor de loonkloof, wat betreft gemiddelde uurlonen, ernaar streeft om deze te dichten tegen 2030.

Uit deze indicatoren blijkt duidelijk dat vrouwen minder vrije tijd hebben dan mannen, meer huishoudelijk werk doen en niet alleen minder uurloon maar vooral ook minder jaarloon  verdienen dan mannen. Daar staat tegenover dat de werkgelegenheidsgraad van mannen en het aantal uren dat mannen per week betaald werken hoger liggen.

Willen we streven naar een hogere werkgelegenheidsdeelname van vrouwen, dan zal dit niet kunnen zonder ook de onbetaalde arbeid gelijker te verdelen  tussen mannen en vrouwen. Het is ons inziens dan ook maar normaal, zeker vanuit de doelstelling van gendergelijkheid, dat het beleid ernaar streeft om de kloof in vrije tijd en in huishoudelijk werk tussen mannen en vrouwen te dichten. Wat de loonkloof betreft, moet het beleid er niet enkel naar streven, om de kloof tussen de gemiddelde uurlonen, maar ook die tussen de gemiddelde jaarlonen te dichten. Deze is namelijk vele malen groter, 20% ten opzichte van 6,4%, en hangt nauw samen met de zorgarbeid en deeltijds werk.

Het ontwikkelen van indicatoren die onbetaalde arbeid meten, omvat verschillende uitdagingen. Een mooie illustratie daarvan vinden we in het voorbeeld van de ISEW waarbij men de economische waarde van huishoudelijke arbeid in kaart wil brengen.

Economische waarde huishoudelijke arbeid
Uitdaging 1:  Definitie

Zo wordt er voor de definitie van huishoudelijke arbeid gewerkt met het ‘third man criterion’ van Reid (1977): huishoudelijke arbeid omvat deze taken die uitgevoerd kunnen worden door derden (betaald of onbetaald) zonder dat dit de eindresultaten beïnvloedt.

Uitdaging 2:  Het meten van huishoudelijke arbeid

Vervolgens moet een keuze gemaakt worden tussen het waarderen van de input in of de output van huishoudelijke arbeid. Het waarderen van output houdt in dat er fysieke metingen moeten plaatsvinden van deze output (bijvoorbeeld het aantal bereide maaltijden en hun kwaliteit of het aantal kinderen waarop gepast wordt). Gezien deze informatie vaak niet beschikbaar is, wordt er gekozen om te werken met de input – de tijd besteed aan huishoudelijke activiteiten.

Uitdaging 3:  Het waarderen van huishoudelijke arbeid Ten slotte moet deze input gewaardeerd worden. Hiervoor bestaan er ook twee mogelijkheden (Van Dongen et al., 1987): opportuniteitskosten of marktprijzen. Wanneer er gekozen zou worden om te werken met opportuniteitskosten, impliceert dit dat een uur gespendeerd aan huishoudelijke activiteiten afhangt van het loon van de persoon die deze activiteiten uitvoert. Zo zal de waarde van een uur huishoudelijk werk bijvoorbeeld groter zijn voor een dokter dan voor een verpleegster. Dit valt moeilijk te verdedigen vanuit een welvaartsstandpunt: een uur besteed aan huishoudelijke arbeid kan best op eenzelfde manier gewaardeerd worden over alle Vlamingen heen. Binnen de ISEW wordt er dan ook voor gekozen om te werken met marktprijzen, gebaseerd op het uurloon van huishoudpersoneel (schoonmaker). Er wordt geopteerd om te werken met historische loonkosten – die variëren doorheen de tijd – en niet met een constante schaduwprijs gebaseerd op de loonkost in één referentiejaar. In vergelijking met het werken met opportuniteitskosten, leidt de keuze voor marktprijzen binnen de ISEW tot een meer conservatieve schatting van de waarde van huishoudelijke arbeid. Langs de andere kant kan er ook geargumenteerd worden dat deze keuze leidt tot een overschatting van de waarde van huishoudelijke arbeid, gezien de efficiëntie van de zelf bestede tijd aan huishoudelijke taken lager zal liggen dan deze van een professionele schoonmaker. De gegevens rond het aantal uren per week dat een Vlaming besteed aan huishoudelijke activiteiten, nodig voor de berekeningen, zijn beschikbaar in studies rond tijdsgebruik.

 

Een relatief eenvoudige indicator om onbetaalde arbeid zichtbaar te maken aan de hand van tijdsbestedingsonderzoek is de BOA-quote. Het is een indicator die de verhouding tussen het volume van betaalde en onbetaalde arbeid in de economie weergeeft.

De getallen zijn tijdsbestedingen van de Belgische bevolking ouder dan 12 jaar, per week. Van het arbeidsvolume in ons land is dus 41,2% betaald. Onder de noemer onbetaalde arbeid vallen: huishoudelijk werk (17 u. 42 min. per week) en kinderzorg en opvoeding (2 u. 28 min. per week). Sociale participatie, waaronder het vrijwilligerswerk valt, is niet mee in rekening gebracht. 

Gemiddeld besteedt de Belgische bevolking ouder dan 12 jaar meer dan de helft van haar arbeidsuren aan onbetaalde arbeid. De onbetaalde arbeid is, om het met Thera van Osch te zeggen, ‘van vitaal belang voor de economie als geheel’.

De BOA-quote is een handige indicator om de gevolgen van sociaaleconomisch beleid te laten zien. Vrijwel alle beleidsmaatregelen hebben gevolgen voor zowel de betaalde als de onbetaalde economie. Bezuinigen in de gezondheidszorg kan ertoe leiden dat meer mensen gaan mantelzorgen, waardoor het volume van onbetaalde arbeid weer stijgt en mensen minder tijd overhouden voor betaald werk.

Met de BOA-quote kunnen beleidsmakers ook zien hoe de verdeling van betaalde en onbetaalde arbeid van mannen en vrouwen van verschillende leeftijden en achtergronden zich ontwikkelt. Gemiddeld besteden mannen 54,3% van hun totale arbeid aan betaalde arbeid, bij vrouwen is dit 31,8%.

Het zou geen overbodige luxe zijn als het Planbureau elk jaar zou doorrekenen wat de gevolgen van het overheidsbeleid zijn voor de verhouding tussen betaalde en onbetaalde arbeid en op de positie van mannen en vrouwen.

Lees ook de andere voorstellen om tot een evenwichtig en kwaliteitsvol combinatiemodel te komen

Call to action: 

Ons voorstel voor de toekomstige regering

Zou het niet billijk zijn als onbetaalde arbeid evenveel waardering kreeg als betaalde? Als de waarde van de onbetaalde arbeid even zichtbaar wordt als die van betaalde?

Schaar je achter ons onderzoek en doe een gift

Met jouw bijdrage steun jij belangrijk onderzoek over de effecten van minder werken op mensen en hun naasten. De resultaten van het onderzoek gaan we begin 2020 delen met politici en het grote publiek.

Combinatie betaalde en onbetaalde arbeid onder druk

Paragrafen: 

Gezinnen trekken aan de alarmbel.  Deze signalen van vrouwen en mannen worden ondersteund door wetenschappelijk onderzoek.
Lees meer

Het feit dat de combinatie van betaalde en onbetaalde arbeid vandaag zo sterk onder druk staat, komt deels door de overgang van het kostwinnersmodel naar het tweeverdienersmodel en deels door het toenemend aantal eenoudergezinnen. We zien 3 maatschappelijke evoluties aan de basisLees meer

De combinatie betaalde en onbetaalde arbeid onder de loep:  een onevenwicht tussen vrouwen en mannen, de gevolgen en oorzaken van het combinatieconflict en strategieën om de combinatie haalbaar te maken.  Lees meer

Call to action: 

Schaar je achter ons onderzoek en doe een gift

Met jouw bijdrage steun jij belangrijk onderzoek over de effecten van minder werken op mensen en hun naasten. De resultaten van het onderzoek gaan we begin 2020 delen met politici en het grote publiek.